De opgraving van de middeleeuwse kerk van Reusel in 1997

De derde fase

Door Paul van Kempen en Martin van der Kamp


Inleiding

In 1996 vertelde Manuela Seijnen in De Schééper (jrg. 8, nr. 30) iets over de opgravingen van de middeleeuwse kerk in 1995 en 1996. Toen kon slechts het westelijk deel van de kerk, de toren, een deel van het schip en het kerkhof worden opgegraven. Het terrein dat van maart tot begin juni 1997 werd opgegraven lag ten zuiden van de Wilhelminalaan, ter plaatse van de afgebroken noodlokalen van de Klimopschool en onder het oude parkeerterrein van café De Palmboom en ten westen van de noodverbinding van de Kruisstraat met de Wilhelminalaan. Dit is ook globaal de plaats waar tot in de jaren '50 het pakhuis van de Boerenbond stond. Op dit terrein konden de overige resten van de kerk, namelijk het schip en het koorgedeelte verwacht worden. Voor de specifieke opgravingstechniek als ook voor de hier gebruikte termen wordt verwezen naar het artikel van M. Seijnen. Voor de hier gepresenteerde kerkfases is gebruik gemaakt van de gegevens van de opgravingen uit 1995, 1996 en 1997. De gehanteerde dateringen zijn indicaties op basis van een vergelijking met andere kerken en kunnen pas na afloop van het onderzoek met iets meer zekerheid worden gegeven. De gebruikte afbeeldingen bij de kerkfases zijn reconstructietekeningen. Deze tekeningen geven, aan de hand van zowel opgravingsgegevens als historische gegevens, een ideaal beeld van de plattegronden van de opeenvolgende kerken. De uitwerking van de opgravingen is nog niet voltooid, met name de graven en de vondsten dienen nog bestudeerd te worden. Het skeletmateriaal wordt bestudeerd door K. Haakmeester. Hierdoor kan slechts een voorlopig beeld van de oude kerk en het kerkhof van Reusel gegeven worden.

De houten kerk (fase 1)

Binnen en onder de funderingen van de romaanse kerk werden circa 12 kuilen gevonden die samen een min of meer rechthoekige plattegrond geven. Door de vele verstoringen in de loop der eeuwen konden slechts enkele kuilen met zekerheid als paalkuilen aangeduid worden. Andere kuilen kunnen ook paalkuilen of resten van paalkuilen zijn, maar zekerheid hierover ontbreekt. De hier gepresenteerde, vrij onregelmatige plattegrond is slechts een indicatie van de omvang van de houten kerk. Nadere studie dient nog verricht te worden. Het is moeilijk een goede datering voor de bouw van dit kerkje te geven.

De romaanse kerk (fase 2)

Fase 2A
Vermoedelijk in de 10e tot 12e eeuw wordt de houten kerk vervangen door een tufstenen kerk. Deze eenbeukige romaanse kerk (genoemd naar de bouwstijl) was ongeveer 13 m. lang en 8 m. breed. Bij de opgravingen werd de fundering van deze kerk, binnen die van de latere gotische kerk teruggevonden. Deze fundering bestond uit in lagen gestapelde keien, onregelmatige brokken lokale oersteen, ingewaterd met geel zand. Sporadisch werden stukjes basaltlava (resten van maalstenen?) en tufsteen in de fundering gevonden.
De muurfunderingen waren gemiddeld 1 m. breed. Van het opgaande tufsteen muurwerk werd niets teruggevonden, wel was de bovenzijde van de fundering (indien aanwezig) afgestreken met een laagje mortel. Wellicht was dit het niveau waar de muur begon. Door een aantal aanwijzingen kunnen we er zeker van zijn dat het muurwerk van de kerk van tufsteen was. Ten eerste de grote hoeveelheid tufsteen op het kerkterrein en ten tweede het hergebruik van tufsteen in de fundering en het muurwerk van de latere gotische kerk. Dit laatste is goed waarneembaar op de foto uit het einde van de 19e eeuw van de noordmuur van het gotische schip (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 190). Hierop zijn duidelijk de tufsteenbanden in het bakstenen muurwerk zichtbaar. De romaanse kerk is vergelijkbaar met het romaanse Boterkerkje te Oirschot.

Fase 2B
Vermoedelijk in de 13e eeuw bouwt men aan het tufstenen kerkje een koor met een hoefijzervormige plattegrond. Dit koor wordt opgebouwd in zgn. kloostermoppen, dit zijn grote bakstenen (afm. 28 x 13-14 x 7-8 cm.). Deze kloostermoppen zijn een bijzonderheid in de regio, ze worden er nauwelijks gevonden. Voorts is het gladde oppervlak van de Reuselse stenen bijzonder. Geen enkele kloostermop werd in situ gevonden. Ze werden gevonden, ingemetseld aan de buitenzijde van de fundering van het eerste gotische koor (fase 3B). Door de aanwezigheid van mortel en kleine brokjes baksteen in de fundering van het romaanse koor weten we dat dit in baksteen opgebouwd was. Als enige materiaal voor de opbouw van dit koortje komen de kloostermoppen in aanmerking uit het eerste gotische koor, waar zij in de fundering hergebruikt waren, daar dit het gangbare bouwmateriaal was toen het koortje gebouwd werd. Omdat ze ongeveer hetzelfde formaat hadden als de tufsteen hoefde men de bouwstijl (romaans) niet aan te passen en kreeg men een harmonieus geheel. De muren waren waarschijnlijk zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde bepleisterd, zodat het verschil in bouwmateriaal niet opviel. Er kon met zekerheid vastgesteld worden dat de muren van het koortje aan de binnenzijde bepleisterd waren door de vondst van kloostermoppen met pleister. Een grote verrassing was het echter dat sommige stenen beschilderd waren. Wij vonden een 30-tal van deze stenen. Een reconstructie van de schildering was niet meer te maken. Op sommige stenen werden duidelijke zwarte lijnen aangetroffen alsmede rode en gele tinten. Mogelijk betreft het hier afbeeldingen van heiligen of vegetatieve motieven. De schilderingen zijn waarschijnlijk te vergelijken met de 14e eeuwse schilderingen aan de binnenzijde van sarcofagen (zoals te Aardenburg en Brugge).

Fase 2C
De laatste bouwactiviteit in de romaanse fase is een bakstenen aanbouw aan de noordzijde van de kerk (rond 1400). Misschien kunnen we vanwege het kleine formaat baksteen echter al van de gotische periode spreken (afm. 23,5-24 x 11,5 x 5-5,5 cm.). De fundering was 60 cm. breed. De onderste lagen bestonden uit los gestapelde bakstenen, de bovenste vier baksteenlagen waren gemetseld. Onder de steunberen werd het fundament nog ondersteund door keien, tufsteen-, ijzeroer- en basaltbrokken. Er werd eerder verondersteld dat dit een noordbeuk zou betreffen (fase 2C var. 1), maar in 1997 werd er geen aansluiting gevonden met de noordoost hoek van de romaanse kerk. De noordbeuk zou dus korter dan de romaanse kerk geweest kunnen zijn. Het is ook mogelijk dat we hier te maken hebben met een ingangspartij of kapel (Maria- of doopkapel?) (fase 2C, var. 2).

De gotische kerk (fase 3)

Fase 3A
Omstreeks 1400 (begin 15e eeuw) wordt de eerste stap gezet naar een algehele vergroting van de kerk met de bouw van de toren. Deze bakstenen toren werd op een afstand van 1,25 m. van de romaanse kerk gebouwd, die dan nog voor de eredienst in gebruik was. De afmeting van de gebruikte baksteen was 24 x 12 x 5 cm.. De toren was door middel van twee korte muurtjes met de romaanse kerk verbonden. Omdat er alleen een toren gebouwd werd blijven de varianten van fase 2C ook voor deze fase toepasbaar (fase 3A, var. 1 en 2).

Fase 3B
Niet lang daarna heeft men de romaanse kerk geleidelijk aan afgebroken en de nieuwe, gotische kerk gebouwd (schip en koor, 15e eeuw). Dit deed men zo dat men nog kon blijven kerken. De nieuwe kerk werd om de oude heen gebouwd. De fundering van de schipmuren en het koor bestonden uit keien, lokale ijzeroersteen, baksteenpuin, mergel, tufsteen en basaltlava (soms zelfs vrij grote stukken molensteen). Het koor was zeer goed gefundeerd. Hier werd op de genoemde fundering een laag rechtbekapte oerstenen uit de omgeving van Diest (B.) aangebracht, vermoedelijk ter voorkoming van optrekkend vocht. In de toren bestond deze situatie, deels ook; of dit voor de schipfundering ook zo was is niet zeker. Aan de buitenzijde van de koorfundering waren 5 lagen van de al genoemde kloostermoppen onder de ijzeroerlaag gemetseld (1 steen dik). De muren waren opgebouwd in baksteen met raamtraceringen en dergelijke in tufsteen en mergel. Binnen het koor werd de altaarfundering aangetroffen, die bestond uit keien, tufsteen, oersteen en basaltbrokken. Volgens toen geldende voorschriften moest het altaar op maagdelijke grond gefundeerd worden, gebruik makend van natuurlijke bouwmaterialen.

Fase 3C
Deze fase is een variant op fase 3B. Mogelijk werd gelijktijdig met de bouw van de gotische kerk een sacristie gebouwd. Het is ook mogelijk dat deze wat later is gebouwd. Van deze sacristie werd alleen de puinfundering (baksteenpuin) van de noordmuur gevonden. De oostmuur was door verstoringen niet meer waarneembaar. De afwijkende funderingswijze, van grof baksteenpuin in vergelijking met de funderingen van toren, schip en koor geeft mogelijk aan dat de sacristie later aan de gotische kerk gebouwd is. Het baksteenpuin is dan afkomstig van het doorbreken van een deel van de noordelijke koormuur, om zo een doorgang tussen beide gebouwdelen te bewerkstelligen. Het is echter niet zeker of deze situatie ook werkelijk bestaan heeft.

De laat-gotische kruiskerk (fase 4)

Fase 4A
Door de enorme toeloop van bedevaartgangers voor de Mariaverering werd de bestaande kerk al snel te klein. Men begint met de bouw van twee kruispanden. (ca. 1530). In 1997 kon slechts de fundering van het zuidelijke kruispand in zijn geheel opgegraven worden. Van het noordelijke kruispand werden slechts de aanzetten met het schip en het nieuwe koor teruggevonden. Het grootste gedeelte van dit kruispand ligt thans onder de Wilhelminalaan. Om een indruk van de gehele situatie te krijgen is het zuidelijke kruispand spiegelbeeldig aan de noordzijde weergegeven. De beide kruispanden waren gefundeerd op goed aangestampt baksteenpuin, afkomstig van de doorgebroken koormuren.

Fase 4B
Omstreeks het midden van de 16e eeuw wordt het oude koor afgebroken en een nieuw koor gebouwd. Bij de bouw van de kruispanden had men al met de bouw van dit koor rekening gehouden. Bij de aansluiting van kruispand naar koormuur was reeds een tanding in het muurwerk aanwezig zodat beide bouwdelen makkelijk aan elkaar te metselen waren. Het koor was ondiep gefundeerd op grof baksteenpuin, vrij los gestort, afkomstig van het gesloopte koor. Dat dit problemen zou geven is evident.

Fase 4C
In het midden of aan het einde van de 16e eeuw bouwt men zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde van de kerk een sacristie. Van de noordsacristie werd slechts de aanzet bij de steunbeer gevonden, de rest is reconstructie. Op de door Mulder in 1894 vervaardigde plattegrond van de kerk staat als commentaar ter plaatse van de noordsacristie: "hier is een aanbouw met gewelf geweest". We weten dus dat er een noordsacristie geweest moet zijn. Op de afbeelding van Verhees uit 1790 (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 19) is de noordsacristie niet zichtbaar. Dit betekent dat de sacristie of dan nog gebouwd moet worden, of dan al afgebroken is.
Van de zuidsacristie was een min of meer vierkante puinfundering (baksteenpuin) zichtbaar. Deze sacristie is ook gereconstrueerd. De zuidsacristie was mogelijk langer in gebruik dan de noordsacristie (zie verder).

Veranderingen in de negentiende eeuw (fase 5)

Fase 5A
Omstreeks 1820-1830 worden beide kruispanden afgebroken en worden de schipmuren tot aan het koor doorgetrokken. Op de foto uit het einde van de 19e eeuw is zichtbaar dat in dit muurgedeelte geen tufbanden meer voorkomen (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 190). Dit is dus nieuw muurwerk. Een en ander gebeurde bij het opknappen van de kerk door de katholieken. De kerk werd in 1798 definitief aan de katholieken teruggegeven. Sinds de overname van de kerk door de kleine protestantse gemeenschap circa 1649 is de bouwkundige staat van de kerk aanzienlijk verslechterd. Vele restauraties in de loop van de tijd mochten niet baten (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel"). Via de opgraving van 1997 werd ons bovendien duidelijk dat de fundering van los gestort baksteenpuin van het laatste koor in de toekomst wel voor problemen moest zorgen (fase 4B). Ook de fundering van de kruispanden liet te wensen over, met uitzondering van de aansluiting met het koor, daar waren zij diep gefundeerd en deels gemetseld.

Fase 5B
Mogelijk bleef de zuidsacristie na de sloop van de kruispanden staan. Een aanwijzing hiervoor is de weergave van de sacristie op de plattegrond van Mulder uit 1894. Door hem "sacristy" genoemd. De kerk werd door Mulder nog voor de sloop opgemeten het is dus aannemelijk dat de zuidelijke sacristie toen nog bestond.

De sloop van de kerk

In 1891 nam pastoor F.F.L. van der Wee het initiatief tot de bouw van een nieuwe kerk. De nieuwe kerk kwam in 1895 aan de noordzijde van de Wilhelminalaan gereed, zodat de oude middeleeuwse kerk overbodig werd, zij werd in 1897-'98 afgebroken. Met het puin van de kerk werd de speelplaats van de school opgehoogd (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238-239). Een groot deel van de bij de afbraak vrijgekomen tufsteen werd gebruikt voor herstelwerkzaamheden aan de abdijkerk van Postel (Lavrijsen, 13).
Het grootste gedeelte van de opgegraven fundamenten is na de opgravingen, met het oog op nieuwbouw op last van de gemeente gesloopt. De gemeente toonde zich echter wel bereid om een gedeelte van de funderingen op te metselen en/of in het wegdek aan te geven. Het betreft hier een deel van de funderingen van het eerste gotische koor (fase 3B). Het is de bedoeling dat een en ander opgemetseld wordt met gebruikmaking van bij de sloop van de funderingen vrijgekomen materialen. Het geheel zal waarschijnlijk begeleid worden van een tekstbord met uitleg over de kerk. Het is natuurlijk van groot belang dat een plaats die zo'n centrale rol heeft gespeeld in het Reuselse dorpsleven gemarkeerd wordt.

De graven

Door de opgravingen zijn we vrij goed geïnformeerd over de begrenzing van het oudste grafveld, dat bij de houten en romaanse kerk hoorde. Met uitzondering van de noordgrens, die onder de Wilhelminalaan ligt. In het westen werd het kerkhof begrensd door een greppel. Deze greppel werd in het zuiden en oosten niet aangetroffen. Wel was het duidelijk waar het grafveld ophield. In zuidelijke richting strekte het grafveld zich even ver uit als de lengte van het kruispand. In oostelijke richting hield het grafveld ongeveer op ter hoogte van de lijn van de oostelijke sluiting van de beide sacristieën. Zoals door M. Seijnen vorig jaar al werd geschreven lagen er geen graven binnen de romaanse kerk. Ook in het later aangebouwde koor (fase 2B) lagen geen graven. Wel lagen er graven net buiten de romaanse kerk. De oudste graven bestonden uit grote kisten zonder nagels die bij de houten kerk horen. Ook komt er een enkele keer een boomstamgraf voor. Ten tijde van de romaanse kerk (fase 2) komen naast de kistgraven ook antropomorfe graven voor. De laatste zijn begravingen naar de vorm van het lichaam, zonder kist.
In de gotische periode en later werd er wel binnen de kerk begraven, maar slechts in de toren en het voorste gedeelte van het schip en met name binnen de beide koren en in de kruispanden. In deze periode werden de mensen begraven in kisten die met kleine nagels waren gespijkerd. Onder de graven werden drie priestergraven gevonden. Omdat priesters met hun hoofd in het oosten worden begraven en leken met hun hoofd in het westen, waren zij makkelijk herkenbaar. De grote hoeveelheid nageltjes geeft aan dat men aan de kist van de priesters veel aandacht besteedde. Het waren natuurlijk overwegend personen met enig aanzien die in de kerk begraven werden. De grootte van het latere kerkhof, behorende bij de gotische kerk, kon niet bepaald worden zodat het ook niet in zijn volle omvang opgegraven kon worden. Delen van dit kerkhof liggen nog onder de Wilhelminalaan en de Kruisstraat.

De klokkengieterij

In 1996 werd in de zuidwest hoek van het schip van de gotische kerk een stookkanaal gevonden dat het overblijfsel was van een oven voor het smelten van brons. Dit brons was nodig voor het gieten van een klok. De oven zelf en de bijbehorende smeltplaats lagen hoger en zijn niet bewaard gebleven. In het stookkanaal werden bronsresten van een oude klok gevonden die aan het smeltvuur waren ontkomen. De kuil waarin de eigenlijke klok is gegoten werd in 1997 opgegraven binnen hetzelfde schip. In deze kuil werd een bakstenen ring gevonden waarop de gietmal rustte waarin de klok werd gegoten. Mogelijk werd hier in 1729 door Jan Petit een nieuwe klok gegoten of een oude klok vergoten (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 83-86). Dit zou de in 1462 door de Mechelse gieter Waghevens gegoten klok kunnen zijn? (Bijnen, 23). Het lijkt niet waarschijnlijk dat de klok uit 1462 in de gevonden kuil werd gegoten.

De waterput

Ten zuiden van de kerk lag op het kerkhof een waterput. De waterput was opgebouwd uit gestapelde, omgekeerde plaggen. Analyses van fossiel stuifmeel (pollen) uit de plaggen heeft uitgewezen dat deze plaggen vrijwel zeker van heidevelden afkomstig zijn en niet uit bossen of van weiden. Tevens werden enkele pollenkorrels van boekweit en rogge aangetroffen; gewassen die begin 16e eeuw in Reusel verbouwd werden. Onder in de put werd geen karrewiel gevonden waarop men de plaggen stapelde om zo de ronde vorm te krijgen. De plaggenput dateert van vóór 1550. De put doorsneed enkele graven. Zij werd dus op het kerkhof aangelegd!
In de vulling van de put zijn enkele bijzondere vondsten aangetroffen. Op de bodem is een complete steengoedkruik uit Langerwehe (D.) gevonden die uit circa 1500 dateert. Voorts bevonden zich twee stukken (runder-)leer in de put. Het grootste stuk betrof de rest van een schoen welke, op basis van de soepelheid van het leer, van vóór 1550 dateert. Het andere stuk leer betreft de rest van een dolk- of zwaardschede. Dergelijke schedes komen voor in de periode van 1220 tot 1700.
In de put zijn ook enkele stukjes bewerkt hout gevonden, waaronder een eikehouten stop en een stokje van buxushout met ingekerfde tekens (soort kerfstok). Dit laatste is opmerkelijk daar buxushout geen inheemse boomsoort is. Het werd pas in de late middeleeuwen, en dan nog voornamelijk in kloostertuinen aangeplant. De vondst van een onbewerkt takje buxus wijst op het bestaan van een buxusstruik in de nabijheid van de waterput. Het kerfstokje is dus ter plaatse vervaardigd. Opmerkelijk was ook de vondst van een door een hond (?) aangevreten linker kaakhelft van een 12 tot 21 maanden oud schaap. In de vulling van de put bevond zich ook bouwmateriaal (baksteen, tufsteen e.d.) alsmede menselijk bot, waaronder een schedel. Dit materiaal is waarschijnlijk bij het dichten of dicht raken in de put terecht gekomen.
Het is niet duidelijk met welk doel de waterput gegraven is. Misschien had men water nodig voor de aanmaak van cement bij de verbouwing van de kerk (fase 4). Mogelijk ook diende de put om in doopwater te voorzien. Een andere mogelijkheid is dat men drinkwater nodig had toen het kerkterrein tijdens de Belgische opstand in 1830 als schans werd gebruikt (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238). De vondsten uit de put sluiten deze mogelijkheid op grond van hun datering vrijwel uit. Misschien hebben we wel hier te maken met "de" heilige Mariaput?

Conclusie

Ondanks de ogenschijnlijke verstoringen, zoals kabelsleuven, verstoringen ontstaan bij de ruiming van de graven van het oude kerkhof in 1913, de bouw van het pakhuis van de Boerenbond in 1915 en de afbraak daarvan in de jaren '50 (zie "Acht eeuwen kerken in Reusel", 238-239) en de bouw en afbraak van de Klimopschool, werden er bij de opgravingen toch nog opvallende resultaten geboekt. In Reusel kon de gehele ontwikkeling van eenvoudige (houten?) zaalkerk tot de in 1897-'98 afgebroken kerk gevolgd worden. De grote verrassingen waren natuurlijk de tufstenen kerk en het hoefijzervormig uit kloostermoppen opgebouwde koor, met als extra verrassing de beschildering op een aantal van deze stenen. Het vrij ongeschonden gebleven oudste kerkhof, de waterput en de klokkengieterij behoorden eveneens tot de verrassende vondsten. Opmerkelijk waren ook de vondsten uit de waterput. Door de opgravingen kon dus toch nog een belangrijke aanvulling op de geschiedenis van de oude kerk van Reusel gegeven worden. Een deel van de geschiedenis van Reusel die zonder de opgravingen verloren was gegaan.

Bronnen

Bijnen, J. (1997): De 'Salvator Mundi' luidklok van Zeelst, Campinia 27, 17-25.
Hagen, J.W./G. Janssen (1995): Acht eeuwen kerken in Reusel. Reusel (Bijdragen tot de kennis van het Reusels Heem, 11).
Lavrijsen, J. (1995): Opgravingen in de middeleeuwse kerken van Reusel; Augustus 1995, De Schééper 7 (nr. 27), 10-13.
Seijnen, M. (1996): Oud-Reusel, het dorp en zijn bewoners. Het archeologisch onderzoek, De Schééper 8 (nr. 30), 8-13.

De foto's en afbeelding zijn afkomstig van het Instituut voor Pre- en Protohistorische Archeologie van de Universiteit van Amsterdam.